Kinderen, wat moet je ermee?

Kinderen zijn buitengewoon ingewikkeld. Ze zijn impulsief, ik-gericht, onvoorzichtig, eigenwijs en compleet onvoorspelbaar. Daarnaast zijn ze prettig eerlijk, praktisch ingesteld, slim, sociaal en uitzonderlijk gehoorzaam. Als iemand tegen mij zou zeggen dat ik mijn huis eens moest opruimen of dat ik mijn bord moest leegeten, dan zou ik het gevoeglijk laten. Zeg je hetzelfde tegen een kind, dan is er een bijzonder grote kans dat je (uiteindelijk) gedaan krijgt wat je het kind opgedragen hebt. Het vertrouwen van kinderen in wie boven hen gesteld zijn – dat is zo ongeveer iedereen, zelfs de hond/kat – is groot, bijna op het enge af. Dat vergt wel wat van de eerdergenoemde bovengestelde. Ik betrap me erop dat ik, hoewel ik dit alles weet, toch elke keer weer totaal verrast ben door het feit dat iemand doet wat ik zeg. Ik weet van mijzelf dat ik feilbaar ben en niet altijd de juiste keuzes maak, maar een kind lijkt daar totaal niet van op de hoogte te zijn (of ze weten het wel en stralen expres vertrouwen uit, zodat je als bovengestelde niets stoms meer durft te doen)

Dokus

Uit bovenstaande analyse concludeer ik dat er waarde gehecht moet worden aan kinderen. Dat is niet zomaar een gemeenplaats, ik kan het onderbouwen.
Allereerst is het prettig als een kind zich gewaardeerd voelt. Ik neem aan dat dat positief uitwerkt in het opgroeien en volwassen worden. Het ‘ik-mag-er-zijn-gevoel’ is een gevoel dat van zowel kinderen als volwassenen tevreden, blije mensen kan maken.
Kinderen hebben een kijk op de wereld die door bepaalde volwassenen wordt afgedaan als naief, kinderlijk, dom, niet de moeite waard. Ik zou over die bepaalde volwassenen hetzelfde willen zeggen, maar dat is niet netjes, dus dat doe ik maar niet. Het interessante van kinderen is nu juist dat ze constant in aanraking komen met nieuwe dingen in de wereld. Ze beschouwen die, denken er overna en oordelen dan of iets cool, acceptabel danwel raar of stom is. Het leukste is als dat bij volwassenen een ‘huh?!’-effect oproept. Het dwingt je namelijk om ergens over na te denken vanuit het perspectief van iemand die onbekend is met een algemeen geaccepteerd concept. Kennelijk kan iets wat je doodnormaal vindt, raar zijn of stom of briljanter dan je zelf wist. En dan kun je die vraag stellen die ouders van hun kinderen zo vrezen: “waarom dan?”

Dat zou mijn benadering zijn. Ik geloof dat er ook een heel aantal ‘grote mensen’ is die zich haast om uit te leggen waarom iets wel of niet goed is of eventueel meteen met termen te gooien als “omdat ik dat zeg” of “dat is gewoon zo” of “hou je grote mond”. Dat lijkt me een gemiste kans en bovendien leer je een kind zo af om met verwondering en een kritische blik naar de wereld te kijken.

Vanwaar dit hele verhaal? Het kwam in me op terwijl ik luisterde naar een kerkdienst. In onze kerk zijn we gewoon om kinderen gedurende de preek elders bezig te houden met de Bijbel. Praktischer en meer op hun niveau toegespitst.
Nou wil ik niet ingaan op de vraag of het goed is om kinderen een deel van de dienst de kerk uit te sturen. Waar ik wel over nadenk is de meer algemene vraag wat de plaats van kinderen binnen onze kerk is. Ik heb het idee dat kinderen als doelgroep niet bijzonder serieus worden genomen. En dan gaat het me niet alleen om de kerkdiensten, maar om de kerk in algemene zin.

Er zijn twee bijbelgedeelten die daarbij in mijn achterhoofd meepraten: de bijbelgedeelten het idee dat je samen een geheel vormt waarbij alle delen even essentieel zijn, iedereen een functie heeft (Romeinen en Korinthiërs) en het verhaal van de kinderen die ten onrechte bij Jezus weggehouden worden en waar kinderen zelfs ten voorbeeld gesteld worden.

Hoe is het mogelijk dat wij deze gedeelten instemmend lezen, luisteren naar de uitleg ervan en dan vergeten om die gedeelten toe te passen? Waarom zou Jezus ons de kinderen ten voorbeeld hebben gesteld? Omdat ze zo fijn door de kerk kunnen rennen na de dienst? Of omdat ze zo mooi kerststalletjes kunnen knutselen?
Zou het niet veeleer zijn omdat zij bij uitstek onze kijk op het geloof actueel houden met hun vragen? Dat ze ons verrijken met observaties en analyses die een hoge ‘huh?!’-factor hebben? Dat ze dingen zeggen die bij ons een verwonderd ‘verroest!’ oproepen, omdat ze zo raak zijn? Is dat niet de gave die kinderen toevoegen en die hen een zo’n essentieel deel maken van dat ene lichaam?

Kinderen zijn ontzettend ingewikkeld. Ze zijn niet altijd meewerkend en meedenkend zoals volwassenen. Ze kijken tegen volwassenen op, gaan er (wellicht) vanuit dat zij alles weten. Wie de gave van kinderen wil aanbreken, zal dus zelf het initiatief moeten nemen. Gelukkig is dat dan weer iets waar volwassenen heel goed in zijn.

Toch?

Advertenties

Briesjes en valwinden

Ik wist niet dat ik er zoveel had, maar nu ik ze bemerk, vind ik ze knap ingewikkeld: emoties. Geen gewone emoties, nee, heftige emoties. Ongedoseerd, onverwacht, overspoelend soms.

Niet dat ik vroeger gevoelloos was, maar ik voelde minder intens, gedempt. Ik had van die ‘net-niet-emoties’: niet verdrietig maar somber of melancholisch, geen schaterlach maar een glimlach, geen woede maar het liefst verholen irritatie en chagrijn. Overdrijf ik? Natuurlijk. Maar feit is wel dat ik meende controle te hebben over wat ik voelde. Geen vloedgolven en anders in elk geval hoge dijken die een deel opvangen. 

Maar de afgelopen jaren zijn er dingen veranderd. Dijken zijn afgegraven, met het idee dat beukende golven het land overspoelen maar ook slib achterlaten die het land op natuurlijke wijze verhoogd. Helaas krijg je van dergelijke overstromingen wel degelijk natte voeten en soms komt het water hoger dan je ooit voor mogelijk achtte. Enerzijds weet je zeker dat je verdrinkt, om dan weer te ontdekken dat het water toch niet hoger kwam dan je kin. Of eigenlijk je borstkas. 

Afbeelding

En zo kan het zijn dat je niet meer melancholisch bent, maar daadwerkelijk verdrietig, tot tranen toe zelfs. Dat je zo boos kunt zijn dat je spieren in je buik ervan samentrekken en dat je onbeheerst kunt uitvallen. Maar ook dat je kunt schateren, dat je zo’n lol kunt hebben dat er een warm gevoel door je lichaam trekt. 

Ik ben aangenaam verrast door het effect van de recente afgravingen van mijn dijkenstelsel. Aan de andere kant verlang ik soms terug naar dat gevoel van controle. Het ervaren van emoties heeft meerwaarde, maar ik vind het beangstigend als ze me als een plotselinge windvlaag raken. Of als de golven hoger zijn dan ze leken. Het is een angst om omvergeblazen te worden, om toch kopje onder te gaan. De angst ook misschien om weer in een depressie te schieten. 

Aan de andere kant lijkt het erop dat juist het bedijken van je land, het indammen van gevoelens, leidt tot de depressie en niet het over je heen laten rollen van de golven. En ik houd me maar vast aan de gedachte dat met het aanslibben van nieuwe grond, mijn voeten droger blijven. Bovendien, het stormt niet altijd, er zijn genoeg momenten dat de wind slechts je haren in de war brengt en een geur van zeezout meebrengt. Dat het kijken naar de golven hele andere dingen oproept: rust, bewondering, of (o help) de bevlieging om het ruime sop te kiezen.

 

Binnen de lijntjes

Vroeger mocht ik graag kleurplaten maken. Het is een werkje waar je lekker in op kunt gaan, waar je je creativiteit in kwijt kunt ook. Welke kleur wordt dit en welke kleuren kan ik daarnaast gebruiken zodat het mooi lijkt? Ja, kleurplaten inkleuren is een vorm van hogere wiskunde wat uiterste concentratie en nauwkeurigheid vereist. Erger nog dan de verkeerde kleurencombinatie gebruiken is het buiten de lijntjes kleuren. Zoiets doet pijn. Ik kan er nog steeds niet tegen, ik geef het maar toe.

Je kleurt binnen de lijntjes. Het was iets dat ik op de basisschool hoorde – of misschien al eerder – en dat ik me al snel eigen heb gemaakt. En breder dan ik me ooit heb gerealiseerd. Want zoals het mij bijna fysiek pijn doet als ik buiten de lijntjes kleur, zo voel ik me uiterst ongemakkelijk als de wereld om me heen niet keurig tussen de lijntjes blijft.

In mijn wereldvisie is de wereld ook een soort grote kleurplaat waarin duidelijke lijnen lopen. Lijnen die grenzen aangeven waar het ene vlak begint en het andere vlak eindigt, lijnen waar je niet over of doorheen hoort te kleuren. Die lijnen zijn er niet voor niets hoor! Die maken het leven overzichtelijk. Als iedereen maar zomaar doet alsof die lijnen er niet zijn, dan weet ik niet wat ik daarmee aan moet. Alleen het idee al dat iemand op het idee komt over die lijn heen te kleuren…

Helaas is de wereld om mij heen over het algemeen niet op de hoogte van mijn kleurplaat. En dat levert merkwaardige situaties op. Wie in alle onschuld over mijn lijntjes heen banjert, kan wel eens een woedende Amsel over zich heen krijgen of een Amsel vinden die even helemaal van slag is.

Nu is er gelukkig sprake van voortschrijdend inzicht. Zo weten mijn naasten dat ik soms lijntjes heb getekend op onverwachte plekken en zo heb ik geleerd om te melden dat ik graag tussen (mijn) de lijntjes kleur en ook dat als je even rustig ademhaalt en nog eens naar de kleurplaat kijkt, het soms niet eens zo lelijk is als iemand buiten de lijntjes heeft gekleurd. Sterker nog, dat ik me afvraag waarom dat lijntje eigenlijk in de kleurplaat zit. Ik bedoel, dat slaat toch helemaal nergens op?! Helemaal niet praktisch! Wie heeft dat in vredesnaam bedacht?

Oh… ik.

Hmpf.

Doar vuilt het haart, wat tonge sprekt, in richt- en slichte toal.

Als ik ’s nachts wakker word – en dat gebeurt met enige regelmaat – start ik vaak mijn computer op om via uitzending gemist naar documentaires te kijken. Hoewel, kijken is het niet het goede woord. Ik luister documentaires. Zo kan ik blijven liggen en hoef ik me toch niet op te vreten omdat ik niet in slaap val. En er is altijd de hoop dat de documentaire zo saai is dat ik ervan in slaap sukkel.

Niet heel lang geleden stuitte ik zo op een serie over dialecten*. Ik had er al eens over gelezen in Onze Taal en het leek me een goede nachtvuller. Zodoende keek ik enkele afleveringen over het Limburgs, het Fries en het Gronings. Er was een gemene deler, of eigenlijk twee: de sprekers van het dialect probeerden uit te leggen waarom ze zo graag het dialect spraken en de presentator probeerde dat te begrijpen. Beide groepen slaagden er niet erg goed in.

Zelf houd ik me al erg lang bezig met de vraag waarom ik het fries liever spreek dan het nederlands en vooral: waarom voelt het fries vertrouwder terwijl ik het nederlands zoveel meer bezig? En hoe komt het dat het zo merkwaardig is om fries met iemand te spreken als je er pas later achterkomt dat diegene friestalig is en dat je dus tijden ‘voor niets’ nederlands met zo iemand hebt gesproken?

Ik weet niet of er een sluitend antwoord is op zulke vragen. Er zijn twee ‘theorieën’ die ik in deze weblog weer wil geven. De eerste is die van Foppe de Haan zoals hij die ongeveer uitgesproken heeft tijdens de documentaire waar ik eerder over sprak. Hij zegt dit: het fries is de taal van je hart. Je moeder heeft altijd met je in het fries gesproken, al vanaf dat je aan de borst lag. Het is de taal van thuis. De taal die bij het friese land hoort. En we zijn er trots op. 

We zijn trots op het fries, we doen er alles aan om het te behouden. Als een ‘Hollander’ zich laatdunkend over onze taal uitlaat, halen we onze schouders op. Wij weten wel beter. Het fries is een volwaardige taal, ze houden hun commentaar maar voor zich!

Heel anders is dat hier in Groningen. Hier schamen mensen zich vaak voor het dialect. Ik ken maar weinig mensen van mijn leeftijd die het dialect geleerd hebben of thuis spreken. Laat staan dat ik ooit iemand gehoord heb die in het Gronings tot God bad. Dat is niet eerbiedig…

Merkwaardig vind ik dat. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar ik houd van het Gronings. Het is kort, no-nonsense, afgebeten, recht door zee. Richt- en slichte toal. En zo zijn de Groningers, misschien alle noordelingen: doe maar normaal, zeg wat je bedoelt, waarom veel woorden gebruiken als je met enkele toekunt? Heb je soms wat te verbergen dat je zo breedsprakig bent? Het Grönnens Laid verwoordt zo mooi hoe je een dialect kunt ervaren:

Doar vuilt het haart, wat tonge sprekt,
in richt- en slichte toal. 

Daar voelt het hart, wat de tong spreekt,
in directe en eenvoudige taal.

Dit komt uit je hart, dit heeft een verbinding met je gevoel. In je moedertaal hoef je zelden naar woorden te zoeken, maar probeer maar eens hetzelfde te zeggen in een andere taal. Zelfs als je die taal al jaren spreekt, zijn er gevoelens, overtuigingen die niet in die taal te vatten zijn. Niet precies zoals je het zou willen tenminste.
Spreek eens een hele dag engels met je moeder en ervaar de afstand, de moeite die je hebt om je goed uit te drukken. Zo is het voor een fries om de hele dag nederlands te moeten spreken tegen zijn moeder. Natuurlijk de woorden zijn makkelijker te vinden, maar de afstand… het is gewoon raar, alsof het niet je moeder is tegen wie je praat. Beter gezegd, het is niet mem.

http://www.uitzendinggemist.nl/programmas/8785-dat-is-andere-taal